Johannes van der Meij 1950-2026
Tekst: Rynk Bosma
Op de dag van de loting voor de 173ste PC op 27 juli kwam er toch nog onverwacht een einde aan het leven van de op 31 januari 1950 geboren kaatser Johannes van der Meij. Geboren en getogen in Menaam en nooit naar een ander dorp vertrokken. Door een al vroeg ‘ferslein skouder’ werd hij als opslager een weliswaar krachtige, maar ook wisselvallige kanonnier. In totaal behaalde Van der Meij 231 punten met vijf koningstitels en 29 eerste prijzen.
Je zou Van der Meij als opslager met wat goede wil een beetje kunnen vergelijken met Marten Bergsma. Met dit verschil dat Bergsma aanzienlijk honkvaster was met betrekking tot het perk. Maar qua ‘gong’ en kracht vergelijkbaar. Onder de jongens stond Van der Meij in het achterperk en in 1963 won hij samen met Gelf Fokkema en Riemer de Jong de Schooljongensbond. Van der Meij was de zoon van Ele (Eelke) Auke van der Meij die ook op het hoogste niveau heeft gekaatst. Uiteindelijk was Johannes qua puntenaantal succesvoller dan zijn vader die 43 punten wist te behalen.
Als opslager had hij een sierlijke stijl met een voorkeur voor de platte bal in het voorperk. Alles moest ‘mei gong’ bij de kaatser die de bijnaam ‘Bargje’ had. Johannes Brandsma zei ooit over Van der Meij: ‘Ien of twa kear yn it jier sloech hy alles om’ om aan te geven hoe grillig Van der Meij aan de stuit was. In 1972 maakte Van der Meij zijn debuut op de eerste klas.
In 1977 kaatste Van der Meij met het perk Johannes Westra (voorin) en Minne Hovenga zijn eerste finale op de PC. Het was toen voorafgaande aan de eindstrijd in de tweede omloop wel erg nipt dat die finale werd gehaald. In de partij tegen Johan van Seijst, Bert Rinia en André Roosenburg wist Van der Meij op 5-5 en 6-6 de grote kaats te behouden.
In die finale tegen de favorieten Sjouke de Boer, Klaas en Wyb van Wieren was de partij al in een vroeg stadium beslist. Met toch weer te veel missers van Van der Meij waaronder die op 2-4 en 4-6 wel erg cruciaal was. Hij werd door uitglijden op die stand bestraft voor overlopen en dat was een van de zeven missers in die finale.
In 1978 bereikte Van der Meij met de maten Brandsma en Minne Hovenga de halve finale. Tegenstander was het trio Sjouke de Boer, Klaas en Wyb van Wieren. Voorafgaande aan de partij was er een ietwat hilarisch meningsverschil tussen Van der Meij en De Boer over welke bal gebruikt zou moeten worden. Van der Meij had belang bij een zware bal, De Boer vanwege zijn hoge ballen in het achterperk wilde een lichte bal.
Van der Meij had bij het inslaan zijn favoriete zware bal gevonden en sloeg die bal bij het inslaan richting perk. Klaas van Wieren sloeg die bal volgens Brandsma met opzet een ontzettend eind kwaad zodat er een andere bal moest komen. Ballen en het gewicht van ballen speelde toen nog een belangrijke rol. Zo herinnert Reinder Triemstra zich nog de leren, zware ‘Boazumer ballen’ die hij dan samen met Henk Leeuwen wit spoot zodat ze niet te onderscheiden waren van de wedstrijdballen.
In 1980 stond Van der Meij met Johannes Brandsma en Reinder Triemstra opnieuw in de eindstrijd tegenover Sake Saakstra, Piet Jetze Faber en Flip Soolsma. Van der Meij zou in dat jaar nooit dichter bij PC-winst komen dan toen. Die voorste rij voor de koepeltent leek bereikbaar, maar werd het net niet. Ook nu ging Van der Meij net even te vaak gebukt onder de spanning van een 6-6 aan de telegraaf.
Dat het toch ijzersterke formatiepartuur van Van der Meij met het gedroomde perk Johannes Brandsma-Reinder Triemstra de kluts een beetje kwijt was, bleek uit een herinnering van Triemstra die vertelde dat het eerste bordje aan de verkeerde kant van de telegraaf hing zonder dat zij het door hadden. Maar ook volgens Triemstra: ,,Hannes had faak te feul buten want je mutte se der eerst wol foor hewwe.’’
Ook toen liet de humor van Van der Meij hem niet in de steek volgens Triemstra. ,,Brand sloech drie ballen kwaad op de Bogt op de opslag van Piet op 3-1 en 4-0 foor ôns en doe saai Hannes: ‘Dêr komme wy aansens wol, dy ballen hoege der no noch net hinne’.’’
De formatie met Johannes Brandsma en Reinder Triemstra was in de vrije formatie het beste partuur dat Van der Meij heeft gehad. Maar mede door zijn eigen ‘ritichheid’ moest hij in 1980 na Witmarsum plaats maken voor Jarich van der Veen. Die beslissing viel op de Rengersdag. Van der Meij had met zijn partuur al drie formatiepartijen gewonnen, maar verloren op de Rengersdag in de halve finale van de latere koning Jarich van der Veen, Oepie Larooi en Dirk Talsma.
Slaande deuren, ramen die rinkelden in hun sponningen in de kleedkamer, zo wil het verhaal. Het meningsverschil over schuld tussen Van der Meij en Triemstra was tot buiten de kleedkamer te horen, zo schrijft Edward Jorna in het boek De Brand. In aanwezigheid van Van der Veen. Bij het samen weglopen uit de kleedkamer zei Van der Veen tegen Brandsma ‘Oars moasten wy it ris besykje’ en dat gebeurde na de partij in Witmarsum 1980.
Volgens Triemstra gebeurde het volgende op die dag: ,,Brand saai teugen my ‘Wy moatte Jarich der by ha, dy bringt se der wol yn’. Ik waar ut der niet met him eens dus ik saai: ‘Dan seistou it maar teugen him want dou wilst it’. Kwam Hannes later by my en hy saai ‘Wat flikst my no?’ Hy docht dat ik ut wu.’’
Voor de inmiddels dertigjarige Menamer opslager toch wel een ietwat sneue wending want nooit weer zou hij zo’n goed formatiepartuur krijgen. Aan de andere kant de troost dat Van der Meij goed kon stellen, zo zei Brandsma ook in het boek. Maar met de dertien formatiewinsten in 1981 kreeg Brandsma wel gelijk natuurlijk.
Dit alles zou overigens de indruk kunnen wekken dat Van der Meij in de omgang geen gemakkelijke man was. En juist dat was niet waar. ‘Guodlik’ in de omgang, zeker na afloop. Triemstra: ,,Maar hy liet him de gek niet ansteke, in ut veld kon hy him goed redde.''
Terug naar de PC-finale van 1980. Met een eerst voorsprong (0-1) en 6-6 wordt Van der Meij bestraft voor overlopen en er is even een oploopje met twee Bilkerts in de hoofdrol. Reinder Triemstra bestrijdt de beslissing van scheidsrechter Teake Krap die de temperamentvolle Triemstra op tijd rustig wist te krijgen. In de nabeschouwing werd dit overlopen ietwat groter gemaakt in het terugblikken van ‘wat als….’
Uiteindelijk werd met 5-3 en 6-0 verloren en Van der Meij had met zeven missers een stevig aandeel. Op 4-3 en 6-2 miste hij namelijk ook het perk terwijl tegenstander Saakstra slechts twee missers liet noteren en de latere koning Faber geen enkele.
Triemstra: ,,Hannes waar geen winner want se mosten der wel foor fan sels. Kiek op 6-6 hewwe je altyd spanning, daar had idereen last fan. Mar Hannes wat meer dan anderen.’’ Kwam bij dat Van der Meij een kaatser was die hield van gezelligheid en van de nazit zoals in die jaren gebruikelijk was met een vaste groep kaatsers.
Het was Brandsma die het publiek op de PC van 1987 er op attendeerde dat het de laatste PC was voor de geblokte opslager uit Menaam. In de tweede omloop versloeg hij met Peter Rinia en Tunno Schurer het partuur van Van der Meij die kaatste met Anne Spijkstra en Sietse van der Meer.
Na afloop pakte De Brand met een royaal gebaar de arm van Van der Meij en stak die omhoog naar het publiek als uitnodiging voor een staande ovatie. Want dat was toen nog niet gebruikelijk. Dat Van der Meij ook populair was onder de kaatsers bleek nog eens op de Oldehove van dat jaar toen hij een speenvarken cadeau kreeg. Een subtiele verwijzing naar zijn bijnaam ‘Bargje’.
Uiteindelijk zou het Leven met een hoofdletter Van der Meij later plagen met veel te veel buitenslagen in een andere betekenis die een aanslag deden op zijn levensgeluk. Hij kreeg multiple sclerose (MS) net als zijn vrouw Rigtje Tolsma die in 2023 overleed. De bordjes kwamen aan de verkeerde, kansloze kant van de telegraaf te hangen.
Maar ondanks alle tegenslag behield Van der Meij een onverwoestbaar vrolijk humeur. Een kaatser die door alle buitenslagen van het Leven in zijn latere leven hier op deze plek, net als in 1987, opnieuw een staande, laatste ovatie verdient.