Johan Halbesma 1941-2026
Tekst: Rynk Bosma
Foto's: It Keatsmuseum
Niemand werd meer op handen gedragen door het grote publiek dan Johan Halbesma uit Harlingen. De krullenbol in het achterperk was een met humor gezegende ‘seun’ uit Harlingen, geboren op 7 oktober 1941 als Johannes Gerrit Halbesma. Actief op het hoogste niveau van 1959-1976 en dat leverde 429 punten op. Koning van de PC in 1964 en PC-winnaar in 1967. Driemaal winnaar van de Bond voor Eendracht uit Harlingen. Bijna tien jaar lid van het KNKB Hoofdbestuur en benoemd tot Lid van verdienste. Op 26 april 2026 viel de laatste slag in het leven van Johan Halbesma.
Dat Halbesma zo mateloos populair was bij het grote publiek had alles te maken met zijn optreden. Een humorist pur sang die altijd een woordje klaar had, koning van de overdrijving: ‘Ast nog even deurloopst kanst my de haan geve’ toen een opponent overliep. Je zou Halbesma met zijn grote relativeringsvermogen zelfs cabaretesk kunnen noemen. Zelf was hij de eerste die zijn eigen kaatskwaliteiten relativeerde tot een ‘huis-, tuin- en keukenkaatser’ maar daarmee deed hij afbreuk aan zijn eigen kwaliteiten. Die relativering was gebaseerd op de eigen mening dat hij qua functie maar een beperkte kaatser was, vergeleken met een Tamme Velstra of later een Johannes Brandsma.
Halbesma stond altijd in het achterperk en op de boven. Zijn aanvankelijke tweede opslag werd zodanig verwaarloosd dat hij vaak afhankelijk was van die kwaliteiten bij andere maten. Maar altijd het publiek op zijn hand. Want Halbesma liet het publiek smelten bij dat prachtige Harlingers dat hij altijd sprak. De echo van ‘Hoe liekt dit?’ als hij een bal bovensloeg. De echo van ‘koekbal’ om de tegenstander te prikkelen. Het minzaam knikken bij een verhaal van Hotze Schuil die soms op gespannen voet stond met de werkelijkheid. Te veel verhalenverteller om het theater Hotze Schuil te verstoren met een andere versie. ‘Wy binne allemaal figuranten in het Theater van Hotze Schuil’, zo zei hij vaker dan eens.
Mooi voorbeeld daarvan is het verhaal van Hotze dat Halbesma bij het lossen van een schip ‘verkeerd’ stond volgens ploegbaas Hotze… Het was aan de vooravond van de PC en vermoedelijk schrijven we het jaar 1967. Hotze vormde toen een partuur met Klaas van Wieren en Halbesma. ‘Dou staast ferkeerd seun’, zou Hotze toen tijdens dat lossen hebben gezegd. Hij bedoelde daarmee dat Halbesma toen zijn ‘slagarm’ te veel belastte. En dat vlak voor de PC….Klein detail is dan dat Halbesma nooit schepen heeft gelost of geladen.
Halbesma was een van de meest begenadigde vertellers die ik ooit tegen ben gekomen. Wist niet meer hoe dat klonk tot hij in 2022 eregast was bij OKK in Bitgum als de winnaar van vijftig jaar geleden. Even een praatje gemaakt. Even nog luisteren naar die prachtige verhalen in het Harlingers.
Halbesma was een erflater in het kaatsen die later een waardige opvolger kreeg in de persoon van Johannes van Dijk en nog later Tjisse Steenstra als we populariteit als norm nemen. Razend populair, maar ook heel verschillend. Van Dijk miste bijvoorbeeld de relativering van Halbesma. Want het plezier stond bij hem altijd voorop met als bekend wapen de tegenstander prikkelen. Hij vertelde later dat hij altijd vreselijk veel plezier had om tegen een Johannes Westra of Dirk Talsma te kaatsen.
Want in tegenstelling tot Halbesma was kaatsen voor Westra en Talsma het hele leven. In de betekenis dat het fanatisme geen ruimte liet voor relativering. En dan is opruien een prachtig middel natuurlijk en Halbesma was iemand die dat beheerste. Aan de andere kant werd er ook een beroep gedaan op zijn kwaliteiten als diplomaat binnen het afdelingspartuur van Eendracht uit Harlingen. Halbesma was de man die de bijnaam ‘De Lange’ bedacht voor Hotze en in zijn verhalen was het altijd ‘Die Lange’ als hij Hotze bedoelde. Een liefdevolle bijnaam, dat wel want Halbesma koesterde zijn maat Hotze.
Een vroege herinnering in het partuur met Jan Sijtsma als opslager en Hotze in het voorperk. Het is 1959 en Halbesma wil zich als 18-jarige natuurlijk bewijzen. Halbesma slaat boven, waarop Hotze zegt: ‘Wat doe’st nou seun, dou hest de twee beste opslagers bij dy?’ Het gaf echter ook aan dat de opkomende generatie kaatsers andere spelopvattingen had. En dan hebben we het over een Tamme Velstra, Dirk Talsma of Johannes Westra. De generatie van de jaren veertig van de vorige eeuw.
Het plezier van iets te melden hebben als je goed kaatst. ‘ç’est le ton qui fait la musique’ zou zo maar een lijfspreuk kunnen zijn van Halbesma met de toevoeging: ‘Die Lange hat ut oek su, goed kaatse en dan wat te melden hewwe.’ Het gaf echter ook aan hoe groot de invloed van het Lanenkaatsen was. ‘Dat was eigenlijk cabaret’, zo zei Halbesma later om zijn cabareteske trekjes te verklaren.
Niet iedereen kon dat overigens waarderen, bijvoorbeeld opslager Gerrit Okkinga: ‘Johan prate wolris wat te folle achter my. As opslagger woe’st de bal sa gau mooglik wer ha en dan remme Johan dat wolris wat ôf.’ Nu dient gezegd te worden dat Halbesma op de boven niet alleen de man was van oneliners, maar ook van het retourneren ‘lâns it lyntsje’. Hij paste daarmee in de traditie van een Dirk Talsma uit Weidum die dit onderdeel ook als geen ander beheerste.
Het was bepaald opmerkelijk dat Halbesma in 1964 koning van de PC werd zonder dat hij een dubbelfunctie had. Rienk de Groot en Sjoerd Heeringa waren de beide maten. Het ‘verhaal’ wilde toen dat Halbesma kaatste met een van Hotze geleende want waarin een Belgische nap zat. Niet geheel ondenkbaar want zowel Hotze als Halbesma koesterden hun internationale contacten, terwijl bijvoorbeeld Tinus Santema in 1965 ook al een want met nap had.
Voor Halbesma was kaatsen heel het leven niet en dat had veel te maken met zijn maatschappelijk leven. Als directeur van een eigen vis fileerbedrijf in Harlingen met rondom de vijftig werknemers bleef kaatsen een vrijetijdsbesteding bij uitstek. Met doorgaans weinig training of voorbereiding het kaatsseizoen tegemoet treden.
Het zal in 1961 of in 1965 geweest zijn tijdens de traditionele Bangmapartij in Weidum. Jaren waarin Eendracht uit Harlingen de partij wist te winnen. ‘’Kwamen wij in Weidum het veld op, dan hadden wij nog geen bal aangeraakt. Zei ‘Die Lange’ ‘Wij stappe der in ieder gefal aardig fris foor’. Maar we wonnen wel de prijs.’’ ‘Ik oefende nooit’, zo bekende Halbesma later, gesterkt door de opvatting van ‘die Lange’: ‘In ons vak heb je geen training nodig.’
‘Jim hewwe de ferkeerde te pakken’, zo zei Halbesma ooit op het verzoek om een interview. Want zijn geheugen was wat dat betreft slecht, zo zegt hij. Maar wie Halbesma hoort vertellen weet dat de verbeelding aan de macht is. Dat de waarheid het soms verliest van de schoonheid of de humor van het verhaal. Want het ging altijd om het plezier bij Halbesma. Zo veel plezier dat hij in 1971 toetrad tot het Hoofdbestuur van de KNKB: ‘Ik wilde iets terug doen voor het plezier dat ik heb gehad’, zo motiveerde hij deze stap. In 1980 kon Halbesma dit niet meer combineren met zijn werk.
De verhalenverteller en kaatser Johan Halbesma won zijn laatste krans in augustus 1976. Een krans met een verhaal natuurlijk, Klaas van Wieren was geblesseerd en dus werd Johan gebeld om in te vallen in Witmarsum in het partuur Johan van Seijst en Wiep van Wieren die toen achterin stond. ‘Un paar ballen slagen, nooit un lijn sien bij Eendracht’, zo was de voorbereiding. Het ging vliegend, ook in de finale tegen Sake Saakstra, Piet Jetze Faber en Dirk Talsma, de verrassende PC-winnaars. ‘Ik su se maar foorin houwe’, zo zei Halbesma tegen Sake. ‘Hew doe wel drie of vier ballen in ‘e sloat sloegen.’
Bij het kaatsen kwam Halbesma al jaren niet meer. Heel af en toe even kijken in Harlingen, de laatste keer zei hij toen ‘Mutte jim hier elke week naar kieke?’ Een gevoelsmatig veelzeggende opmerking van iemand die weet dat zijn kaatsverhaal voorbij is. De kaatswereld mag dankbaar zijn voor al die verhalen en verliest in Johan Halbesma een van de kleurrijkste kaatsers ooit. Door het grote publiek op handen gedragen, hier in een verdiend eerbetoon door woorden gedragen.